De Afdeling is van oordeel dat de raming van de inbrengwaarde van de gronden niet onzorgvuldig tot stand is gekomen doordat de taxateur beide methodes heeft gehanteerd. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 16 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1554, onder 16.3, dwingen de artikelen 40b tot en met 40f van de onteigeningswet niet tot het hanteren van de residuele of de comparatieve methode. Ook uit de arresten van de Hoge Raad van zowel voor als na de inwerkingtreding van de Wro in 2008 volgt dat mag worden gekozen voor de residuele of de comparatieve methode. De taxateur heeft de comparatieve methode mogen hanteren voor de begroting van de inbrengwaarde van de gronden en heeft de residuele methode mogen hanteren als extra controle. Voor het hanteren van de comparatieve methode waren er voldoende referentietransacties waardoor de taxateur voor deze methode heeft mogen kiezen. De taxateur heeft de uitkomsten van beide methodes van de waardebepaling vergeleken en de voorkeur gegeven aan de waarde die aan de hand van referentietransacties bepaald is op basis van de comparatieve methode. De keuze viel onder meer daarop, omdat de waardeberekening op basis van de residuele methode onzekerheden bevatte. Volgens de taxateur vindt deze wijze van taxeren steun in het onteigeningsrecht, waarbij hij verwijst naar het arrest van gerechtshof Den Haag van 29 januari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:158, onder 2.16. [appellante] heeft geen aanknopingspunten aangereikt op grond waarvan de Afdeling aan de juistheid van deze benadering zou moeten twijfelen.
ABRS 10-06/26 inzake Waalwijk (ECLI:NL:RVS:2026:3353)
Noot: Verwijzing naar Hof Den Haag: “Zoals deskundigen terecht aangeven is de uitkomst van een dergelijke (residuele) berekening in hoge mate afhankelijk van tal van veronderstellingen die aan de berekening ten grondslag worden gelegd en kunnen kleine nuances in één of meer van die veronderstellingen tot grote fluctuaties in uitkomst leiden.”
Noot 2: zie conclusie Advocaat-Generaal ECLI:NL: PHR:2008:BB4775 bij HR 15-02/08 inzake HIT/gemeente Schiedam (BB4775): De Advocaat-generaal (r.o. 12) benoemt nadrukkelijk de problemen van een residuele taxatie: het is een middel om zich over de waarde van de grond een deugdelijk beredeneerde indruk te vormen, maar een middel dat een aanmerkelijk ruimte laat voor het insluipen van (taxatie)fouten; die fouten kunnen, individueel of samen, de gevonden uitkomst zeer ingrijpend beïnvloeden. Het gaat om een aanzienlijk aantal, ieder voor zich een meer of minder ruime onzekerheidsmarge vertonende, schattingen en aannames.