PIP Springendal en Dal van de Mosbeek: planologie en bestuurlijke lus

Toetsingskader:    Bij de vaststelling van een inpassingsplan moeten provinciale staten bestemmingen aanwijzen en regels geven die provinciale staten uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig achten. Provinciale staten hebben daarbij beleidsruimte en moeten de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Toelatingsplanologie

Anders dan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen is ook het bepaalde in artikel 7, lid 7.1, onder a en onder d, van de planregels niet in strijd met het beginsel van toelastingsplanologie. Hieruit volgt weliswaar dat als de eigenaar van gronden met de bestemming “Natuur” deze gronden wil gebruiken voor natuur, dat die natuur dan overeenkomstig het inrichtingsplan moet worden vormgegeven, maar uit artikel 7, lid 7.1, van de planregels volgt niet dat de eigenaar de gronden voor natuur overeenkomstig het inrichtingsplan moet inrichten of gebruiken. Zo mogen de gronden bijvoorbeeld ook voor waterberging worden ingericht of gebruikt. Van een verplichting om de gronden met de bestemming “Natuur” voor natuur overeenkomstig het inrichtingsplan in te richten of te gebruiken, is dus geen sprake.

Evenwichtsbemesting

Provinciale staten hebben onvoldoende duidelijk gemaakt dat en op welke wijze de norm van evenwichtsbemesting uitvoerbaar is. Het betoog slaagt in zoverre.

Extra beperkende maatregelen

Volgens [appellant sub 2] en anderen kunnen op de gronden met de bestemming “Agrarisch met waarden – Grasland”, “Agrarisch – 2a” en “Natuur” extra (beperkende) maatregelen worden getroffen, omdat de bestemmingen mede zien op ‘het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke en hydrologische waarden’. Uit de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1412, volgt dat deze methodiek ontoelaatbaar is.

Provinciale staten hebben erkend dat [appellant sub 2] en anderen dit betoog terecht hebben voorgedragen en dat het inpassingsplan op dit punt moet worden aangepast.

ABRS 29-07/26 inzake Overijssel (ECLI:NL:RVS:2026:4436)