PIP Springendal en Dal van de Mosbeek: (niet) tijdige onteigening overgangstermijn

[appellant sub 2] en anderen betogen onder verwijzing naar voormelde uitspraak van 30 juni 2021 ECLI:NL:RVS:2021:1412 en de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:428, verder dat het gebruiksovergangsrecht uit artikel 25, lid 25.2, van de planregels ten onrechte slechts twee jaar na het onherroepelijk worden van het inpassingsplan van toepassing is. Volgens [appellant sub 2] en anderen is onzeker of dit een haalbare termijn is, nu er na zes jaar nog geen overeenstemming over compensatie is tussen hen en provinciale staten en bovendien de vraag naar vervangende bedrijven een stuk groter is dan het aanbod.

Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten ook in dit geval niet aannemelijk gemaakt dat het bestaande gebruik van de gronden binnen de in het inpassingsplan gekozen overgangstermijn zal zijn ingeperkt of beëindigd. Uit de door provinciale staten gegeven toelichting blijkt dat zij de termijn van twee jaar na onherroepelijk worden van het plan (ruim) voldoende vinden om het dwingend instrumentarium in te kunnen zetten en zodoende af te dwingen dat strijdig gebruik wordt ingeperkt of beëindigd. Daargelaten dat het nog maar de vraag is of, naar provinciale staten stellen, een onteigeningsprocedure binnen twee jaar volledig kan zijn afgerond, gaan provinciale staten er met dit standpunt aan voorbij dat dit dwingende instrumentarium pas kan worden ingezet nadat tussen provinciale staten en de desbetreffende grondeigenaren gesprekken hebben plaatsgevonden over welke maatregelen precies moeten worden uitgevoerd, door wie die maatregelen (moeten) worden uitgevoerd en wat de maatregelen precies betekenen voor de bedrijfsvoering van de desbetreffende grondeigenaren. Uit de in het verweerschrift gegeven toelichting blijkt dat provinciale staten ervan uitgaan dat deze gesprekken gedurende de beroepsprocedure plaatsvinden. Ten tijde van de vaststelling van het inpassingsplan (en dus ten tijde van de vaststelling van onder meer artikel 25 van de planregels) was evenwel helemaal niet zeker dat er beroep zou worden ingesteld. Dit betekent dat de overgangstermijn ook twee jaar en zes weken, en daarmee slechts zes weken langer dan de eerder door de Afdeling te kort bevonden overgangstermijn van twee jaar na inwerkingtreding, had kunnen duren. Bovendien is vooraf niet duidelijk hoe lang een dergelijke beroepsprocedure zal duren. Verder kan naar het oordeel van de Afdeling niet van de grondeigenaren worden verlangd dat zij, in geval zij in rechte tegen het inpassingsplan opkomen, gedurende die beroepsprocedure al (definitieve) beslissingen nemen over het inperken of beëindigen van het bestaande gebruik van hun gronden en dus voordat in rechte is komen vast te staan dat dat bestaande gebruik daadwerkelijk moet worden ingeperkt of beëindigd. Ten slotte gaan provinciale staten er met hun standpunt aan voorbij dat de grondeigenaren niet altijd in eigen hand hebben of het bestaande gebruik binnen twee jaar na onherroepelijk worden zal zijn ingeperkt of beëindigd. Voor zover het immers gaat om maatregelen die door de provincie zelf moeten worden uitgevoerd, hebben de grondeigenaren geen invloed op de termijn waarbinnen de provincie tot die uitvoering overgaat en dus op de inperking of beëindiging van strijdig bestaand gebruik.

Het betoog slaagt.

ABRS 29-07/26 inzake Overijssel (ECLI:NL:RVS:2026:4436)

Noot: ruim twee jaar overgangstermijn is dus te kort voor een onteigeningsprocedure terwijl bij vaststelling PIP nog niet bekend was welke maatregelen er getroffen moeten worden.