De onroerende zaak is een deel van een gebouw/schuur dat door de huidige gebruikster wordt gebruikt als woning. Op de waardepeildatum wordt de onroerende zaak gebruikt door een derde als woning. Ook is op grond van het bestemmingsplan in de onroerende zaak wonen niet is toegestaan en sprake van een persoonsgebonden gedoogbeleid voor de huidige hoogbejaarde bewoonster. Partijen zijn verdeeld over wat dit betekent voor de waardering op grond van de Wet WOZ. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar een onjuiste toepassing heeft gegeven aan artikel 17, tweede lid van de wet WOZ. Daarbij wijst de rechtbank op rechtspraak van de Hoge Raad van 10 april 2009 en van 20 december 2002. Volgens de Hoge Raad strekt de in artikel 17 lid 2 van de Wet WOZ opgenomen overdrachtsfictie niet zo ver dat de invloed van wettelijke voorschriften bij de waardering moet worden uitgeschakeld. Daaronder vallen ook planologische bestemmingsvoorschriften. Ook een door de gemeente gevoerd persoonsgebonden gedoogbeleid vormt een soortgelijke beperking waarmee bij de waardebepaling rekening moet worden gehouden.
Rechtbank Midden-Nederland 08-12/25 (ECLI:NL:RBMNE:2025:6989)
Noot: Uitspraak van de Hoge Raad van 10 april 2009, ECLI:NL:2009:BI0575, r.o. 3.3. en
Uitspraak van de Hoge Raad van 20 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF2256, r. 3.2.
Art. 17 lid 2 WOZ: De waarde wordt bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.