19.2. In paragraaf 4.10 van het taxatierapport zijn de grond en de opstal van [appellant sub 4] getaxeerd. Hierbij is rekening gehouden met het feit dat de onroerende zaak een bedrijfsruimte betreft met twee bijbehorende parkeerplaatsen. Bij de waardering is ervan uitgegaan dat de onroerende zaak de hoogste waarde ontleent aan de huidige gebruiksmogelijkheden. Volgens het taxatierapport heeft de onroerende zaak van [appellant sub 4] een marktwaarde van € 267.900,00, dat is € 1.425,00 per m2. Daarnaast zijn de kosten voor het vrijmaken van de gronden in het exploitatiegebied van persoonlijke rechten en lasten, eigendom, bezit of beperkte en zakelijke lasten terzake geraamd op € 40.185,00. Hiermee bedraagt de totale inbrengwaarde € 308.085,00.
Hetgeen [appellant sub 4] aanvoert geeft geen aanleiding om te veronderstellen dat het taxatierapport wat de gehanteerde bedragen betreft zodanige gebreken bevat dat het niet aan de raming van de inbrengwaarden ten grondslag had mogen worden gelegd. Daarbij betrekt de Afdeling dat [appellant sub 4] het taxatierapport niet heeft bestreden met een tegenrapport van een deskundige. Het voorgaande betekent dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de in het taxatierapport opgenomen ramingen van inbrengwaarden juist zijn.
ABRS 26-08/20 inzake Amsterdam (ECLI:NL:RVS:2020:2023)