Geen eliminatie
Rechtbank elimineerde niet de vigerende, niet lucratieve bestemming (verkeer, groen). de onteigende wenste eliminatie om terug te vallen op de voorafgaande bestemming van bedrijf en natuur.
De rechtbank oordeelde dat de huidige bestemmingen van het onteigende niet moeten worden geëlimineerd, omdat niet blijkt van het bestaan van een concreet uitgewerkt plan voor de aanpassing van de infrastructuur dat vervolgens alleen nog maar door de gemeente is uitgewerkt in het bestemmingsplan, maar eerder sprake is geweest van een normale planprocedure waarbij alternatieve tracés zijn onderzocht en waaruit de gemeente in het voorontwerp-bestemmingsplan een keuze heeft gemaakt.
A-G: In de onderhavige zaak is de vraag aan de orde of sprake is van een concreet plan voor het werk waarvoor onteigend wordt (art. 40c onder 3 Onteigeningswet).
R.o. 3.32: dat een indicatief weg tracé in het verleden over het onteigende is getekend, is onvoldoende om te spreken van een concreet plan.
R.o. 3.36: Ook als geen sprake zou zijn van relevante wijzigingen ter plaatse van het onteigende, dan nog is de opvatting waarvan de klachten uitgaan – namelijk dat alleen moet worden gekeken naar het werk ter plaatse van het onteigende – mijns inziens te absoluut. Het kan immers zo zijn dat het deel van het uiteindelijk uit te voeren werk dat op het onteigende zal worden gerealiseerd onlosmakelijk is verbonden met of in nauw verband staat tot andere delen van een groter project, zodat niet kan worden uitgesloten dat wijzigingen elders in het project ook impact kunnen hebben op het gedeelte van het werk dat ter plaatse van het onteigende zal worden gerealiseerd.
R.O 3.42: Er moet de nodige terughoudendheid worden betracht bij het elimineren van een bestemmingsplan, waarbij een rol speelt dat aan een bestemmingsplan altijd al andere – meer of minder uitgewerkte – plannen voorafgaan.
Conclusie: geen eliminatie.
Geen vergoeding planschade
In het arrest van 26 januari 2024 heeft uw Raad stilgestaan bij de vergoeding van planschade in het kader van een onteigening. Op grond van art. 40e Onteigeningswet kan planschade in het onteigeningsgeding voor vergoeding in aanmerking komen. Uw Raad overwoog dit in arrest Harnaschpolder; ECLI:NL:HR:2024:85: als uitgangspunt geldt dat de (beperkende) criteria die gelden bij vergoeding van planschade buiten het onteigeningsrecht ook gelden bij vergoeding van planschade in het onteigeningsgeding op de voet van art. 40e Onteigeningswet, maar onder omstandigheden kan de bijzondere context van het onteigeningsrecht nopen tot een uitzondering op dit uitgangspunt.
Conclusie A-G 27-02/26 inzake Eindhoven (ECLI:NL:PHR:2026:203)
Noot:
Onteigeningsvonnis Rb. Oost-Brabant 16 april 2025 (ECLI:NL:RBOBR:2025:2292).
Zie ook duidelijke paralellen met arrest HR 26-09/25 Haarlemmermeer / Kennemerland, zie ons eerdere bericht daarover.
Elimineren moet terughoudend toegepast worden. R.o. 3.36 noemt zelfs als mogelijkheid dat het werk op het onteigende niet “wijzigt”, maar elders in het tracé wel met aldus geen concreet plan.