Kort geding. Vordering Waterschap te verbieden om zonder een daartoe strekkende executoriale titel strook grond te ontruimen of pogingen daartoe te ondernemen, op straffe van verbeurte van een dwangsom, toegewezen.
De voorzieningenrechter heeft met grote zorg kennisgenomen van de handelwijze van het Waterschap. Het geeft een regionaal openbaar lichaam geen pas zonder enige juridische basis aan te kondigen eigenrichting te plegen en vervolgens [eiser] als burger te verplichten om binnen een door het Waterschap bepaalde termijn een gerechtelijke procedure te beginnen om het Waterschap hiervan te weerhouden. Het is onbegrijpelijk dat een advocaat in dienst van het Waterschap op een dergelijke intimiderende wijze een burger in een privaatrechtelijke kwestie het mes op de keel zet. Het geeft ook te denken dat het dagelijks bestuur van het Waterschap bij het geven van de procesvolmacht aan hun advocaten geen aanleiding heeft gezien tot nader onderzoek en vervolgens te interveniëren. In deze procesvolmacht is de opmerkelijke vordering van [eiser] in dit kort geding uitdrukkelijk verwoord. Juist het dagelijks bestuur moest ermee bekend zijn dat de handelwijze van het Waterschap waartegen [eiser] in kort geding opkomt niet strookt met de inhoud van het grondbeleid dat het dagelijks bestuur nog onlangs had vastgesteld. Uit dit beleid blijkt bovendien dat het Waterschap ermee bekend is dat het Waterschap in het verleden gebruik van gronden door derden regelmatig niet had vastgelegd, oneigenlijk gebruik nauwelijks aandacht kreeg en het Waterschap daardoor het risico liep door verjaring eigendom te verliezen. Met die wetenschap had het Waterschap extra zorgvuldigheid moeten betrachten bij privaatrechtelijke geschillen met burgers over vermeend onrechtmatig grondgebruik.
Voorzieningenrechter Oost-Brabant 10-3/26 (ECLI:NL:RBOBR:2026:1572)