De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen causaal verband bestaat tussen de gestelde schade (lees: hogere belastingaanslag omdat grond vanwege gevestigd gemeente voorkeursrecht hoger getaxeerd is) en het besluit van de raad van 1 oktober 2007 om het voorkeursrecht te vestigen. Het bedrag dat eiseres moet betalen als belasting vloeit rechtstreeks voort uit de belastingaanslag die aan eiseres is opgelegd nadat er een minnelijke regeling met de Belastingdienst is getroffen in het kader van de afwikkeling van de V.O.F. Het perceel is in verband daarmee getaxeerd. Uit het taxatierapport kan ook niet worden opgemaakt dat de vestiging van het voorkeursrecht van invloed is geweest op de waarde die daarin aan het perceel is toegekend. Als een voorkeursrecht in een vroeg stadium wordt gevestigd, is inherent dat de ontwikkelingen daarna kunnen wijzigen. De waarde (WEV) van het perceel per 1 augustus 2006 werd vooral bepaald door de ligging en de woningbouwontwikkelingen die in de toekomst werden verwacht. De vestiging van het voorkeursrecht op 1 oktober 2007 heeft geen invloed gehad op die verwachtingswaarde.
Rechtbank Oost-Brabant 31-10/25 inzake land van Cuijk (ECLI:NL:RBOBR:2025:7047)
Noot: het bewijs van en causaal verband ontbreekt in deze casus volgens de rechtbank en daarom geen nadeelcompensatie. In de praktijk wordt wel gezien dat er extra koopbelangstelling van projectontwikkelaars komt, als op gronden een gemeentelijk voorkeursrecht van koop gevestigd wordt.