Verhuurder wil gehuurde renoveren en er woonruimte van maken. Dringend eigen gebruik voldoende aannemelijk gemaakt. Partijen mogen zich nog uitlaten over tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten huurder.
Rechtbank Rotterdam 19-06/26 (ECLI:NL:RBROT:2026:8171)
Noot: de situatie als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1962) doet niet voor. In dat arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een huurovereenkomst niet kan worden opgezegd op grond van artikel 7:296 lid 3 BW, als de enkele reden voor de opzegging het verhogen van het rendement van de verhuurder is en die rendementsverhoging alleen het gevolg is van het kunnen sluiten van een nieuwe huurovereenkomst, zodat de huurprijsbescherming van artikel 7:303 BW omzeild wordt.
Als een wettelijke opzeggingsgrond terecht is ingeroepen, staat daarmee een zwaarwegende grond voor die opzegging vast en verplicht artikel 7:296 lid 4 BW de rechter de vordering toe te wijzen. Een belangenafweging vindt dus niet meer plaats bij de beoordeling van die opzeggingsgrond, omdat die afweging al is verdisconteerd in de wettelijke regeling.
Op het verzoek van [gedaagde] om een vergoeding voor verhuis- en inrichtingskosten kan nog niet worden beslist. De kantonrechter kan namelijk pas een dergelijke tegemoetkoming vaststellen als aannemelijk is dat [gedaagde] de betreffende kosten daadwerkelijk gaat maken.