De Stichting (grondeigenaar) legt aan haar vorderingen, kort samengevat, ten grondslag dat het door de Gemeente gevestigde voorkeursrecht op de onroerende zaak is vervallen, omdat de Gemeente niet binnen de in de Wvg genoemde termijn van vier weken na het verzoek van de Stichting daartoe een prijsbepalingsprocedure bij de rechtbank is gestart.
De Gemeente betwist dat het voorkeursrecht is vervallen. Zij voert daartoe, kort samengevat, aan dat de vorderingen van de Stichting in de kern genomen neerkomen op een verklaring voor recht en dat toewijzing van de vorderingen leidt tot een declaratoir, althans constitutief vonnis. Bovendien ontbreekt volgens de Gemeente de wettelijke grondslag. Zelfs als de Gemeente niet tijdig een prijsbepalingsprocedure zou zijn gestart, hetgeen de Gemeente betwist, maakt dat volgens de Gemeente niet dat het voorkeursrecht is vervallen en moet worden doorgehaald.
Kort Geding: Uit de wet volgt niet dat door het verstrijken van de daarin genoemde termijn een gevestigd voorkeursrecht vervalt, maar slechts dat de eigenaar gedurende drie jaren de vrijheid verkrijgt om tot vervreemding aan derden over te gaan. Nu het voorkeursrecht bij het overschrijden van de termijn, waarbinnen het verzoek tot prijsbepaling bij de rechtbank dient te worden ingediend, niet komt te vervallen, ontbreekt de wettelijke grondslag voor de vordering tot doorhaling van het voorkeursrecht in de openbare registers.
Naar de Gemeente terecht stelt, heeft de gevraagde voorziening een declaratoir karakter. Om de vordering te kunnen toewijzen, moet de voorzieningenrechter immers een oordeel geven over hetgeen rechtens tussen partijen geldt. Dat komt neer op een verklaring voor recht. In een kort geding kan naar vaste rechtspraak echter geen declaratoir vonnis worden uitgesproken, omdat het voorlopige karakter van een kort geding procedure zich hiervoor niet leent. De vordering wordt dan ook afgewezen.
De voorzieningenrechter begrijpt dat de Stichting, gelet op het bepaalde in artikel 24 Wvg, thans artikel 9.21 Omgevingswet, met haar vordering wil bereiken dat de Gemeente haar medewerking dient te verlenen aan de vervreemding c.q. levering van het erfpachtrecht aan een derde, maar een dergelijke vordering ligt evenwel niet ter beoordeling voor. Overigens is niet gesteld of gebleken dat zich thans bij de Stichting een concrete derde partij heeft aangediend die het erfpachtrecht op de onroerende zaak zou willen kopen.
Rechtbank Gelderland 30-10/24 inzake Arnhem (ECLI:NL:RBGEL:2024:7493)