Onteigend is voor een niet lucratief Provinciaal Inpassingsplan.
1.
Bij de waardebepaling van het onteigende heeft de rechtbank, overeenkomstig het advies van de deskundigen, de invloed van de bestemmingen die ingevolge het Inpassingsplan op het onteigende rusten, geëlimineerd op de grond dat het Inpassingsplan niet meer is dan de juridisch-planologische grondslag voor het werk waarvoor onteigend wordt in de zin van artikel 40c Ow.
HR: Inpassingsplan aan het onteigende zijn gegeven, nu deze slechts zijn vastgesteld teneinde die werken mogelijk te maken. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk (vgl. HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:25, rov. 3.6.1 en 3.6.2).
2.
Rechtbank: Overeenkomstig het advies van de deskundigen heeft de rechtbank bij de waardebepaling ook het aan het Inpassingsplan voorafgaande Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal uit 2004 weggedacht, welk plan volgens haar in feite het startpunt van de ontwikkeling is geweest die geleid heeft tot “het plan Waterdunen” (waarmee de rechtbank in het voetspoor van de deskundigen bedoelt: het Inpassingsplan, het Inrichtingsplan en de daaraan voorafgaande plannen tezamen en in onderling verband) en die geacht moet worden één geheel te zijn met laatstgenoemd plan. Op deze gronden is de rechtbank, eveneens overeenkomstig het advies van de deskundigen, uitgegaan van de bestemming volgens het bestemmingsplan “Buitengebied 13e herziening” en derhalve – in beginsel – van de agrarische waarde van de grond. (rov. 2.17) Bij de waardebepaling heeft de rechtbank wel het Streekplan 1997 van de Provincie betrokken en de verwachtingswaarde die in verband met dat plan aan het onteigende op de peildatum van 28 januari 2013 viel toe te kennen (rov. 2.21-2.21.2).
HR: De onderdelen 1.2-1.4 keren zich tegen het oordeel van de rechtbank dat ook het Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal moet worden weggedacht bij de waardebepaling van het onteigende.
De rechtbank heeft niet vastgesteld dat het Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal – dat blijkens de stukken van het geding geen bestemmings- of inpassingsplan is – reeds het plan bevat voor de werken waarvoor wordt onteigend. Die vaststelling volgt (ook) niet uit de overweging van de rechtbank dat het Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal in feite het startpunt van de ontwikkeling is geweest die geleid heeft tot het hiervoor in 3.2 genoemde plan Waterdunen, en dat geacht moet worden één geheel te zijn met laatstgenoemd plan. Evenmin volgt die vaststelling uit de verwijzing door de rechtbank naar de hiervoor in 3.1 onder (iii) genoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 februari 2012.
Tegen deze achtergrond komen de onderdelen terecht ertegen op dat de rechtbank het Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal bij de waardebepaling van het onteigende buiten beschouwing heeft gelaten. Gezien het uitzonderingskarakter van art. 40c Ow moet die bepaling immers terughoudend worden toegepast. Alleen de plannen voor het werk waarvoor wordt onteigend, zijn volgens die bepaling, voor zover hier van belang, plannen waarmee geen rekening moet worden gehouden bij de schadeloosstelling (art. 40c onder 3° Ow). Plannen die slechts bestaan in algemene ruimtelijke beleidsvisies – zoals naar de stellingen van de Provincie het Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal -, kunnen niet worden aangemerkt als plannen in de zin van die bepaling (vgl. o.m. HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:68, rov. 3.3.4).
De verwachtingen die dergelijke plannen wekken met betrekking tot de toekomstige planologische status, en dus gebruiksmogelijkheden, van gronden die liggen in het gebied van die plannen, kunnen dan ook van belang zijn bij de waardebepaling van het onteigende.
HR 08-07/16 inzake prov. Zeeland (ECLI:NL:HR:2016:1506).
Noot: begrijpelijk in het verlengde van de 15 januari 2016 arresten:
- inpassingsplan niet meer is dan de juridisch-planologische grondslag voor het werk waarvoor onteigend wordt in de zin van artikel 40c Ow.
- gezien het uitzonderingskarakter van de eliminatiebepaling van art. 40c moet die bepaling terughoudend worden toegepast.
- gebiedsplan is slechts een algemene ruimtelijke beleidsvisie en aldus geen te elimineren plan voor het werk waarvoor onteigend wordt.
A-G: Hierbij past volgens mij dat plannen die bestaan uit algemene ruimtelijke beleidsvisies in het algemeen niet kunnen worden aangemerkt als plannen voor het werk waarvoor wordt onteigend. Vergelijk HR 15-01/16 inzake: BBL/Huige, BBL/Overmeer en BBL/Ruigrok – Groenblauwe Slinger
Dat is relevant omdat de verwachtingswaarde, gebaseerd op een (lucratief) Streekplan van voordien vervalt door het nadien vastgestelde Gebiedsplan.
- aldus lijkt grondslag voor verwachtingswaarde ad ER 10,00 per m2 (bij een WEVAB van EUR 5,60 m2 volgens deskundigen) te vervallen.