De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagden] c.s. recht hebben op een verhuiskostenvergoeding zoals bedoeld in artikel 7:275 lid 1 BW. Volgens [gedaagden] .s. is het feit dat zij veranderingen in het gehuurde hebben aangebracht, welke zij enkel hebben kunnen aanbrengen op de voorwaarde dat deze veranderingen niet door [eiser] vergoed zouden worden bij het einde van de huurovereenkomst, een reden om de verhuiskostenvergoeding vast te stellen op € 25.000,00. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de verhuiskostenvergoeding vast te stellen op dit bedrag, nu [gedaagden] c.s. er zelf voor hebben gekozen om verbeteringen in het gehuurde aan te brengen. Nu de huurovereenkomst wordt beëindigd in verband met het belang van [eiser] om zelf het gehuurde te gaan bewonen, zal de kantonrechter voor de hoogte van de verhuiskostenvergoeding aansluiting zoeken bij de situatie waarin de huurovereenkomst wordt beëindigd wegens eigen gebruik in verband met renovatie, zoals bedoeld in artikel 7:274 lid 1 sub c jo. 7:274 lid 3 BW. De hoogte van deze verhuiskostenvergoeding is overeenkomstig 7:275 lid 4 BW bij ministeriële regeling vastgesteld en bedraagt momenteel € 7.428,00.
Rechtbank Den Haag 11-09/24 (ECLI:NL:RBDHA:2024:14639)
Noot: Regeling minimumbijdrage verhuis- en inrichtingskosten bij renovatie: De minimumbijdrage, bedoeld in de artikelen 220 lid 6 en 275 lid 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, is € 7.428.