Uitleg overeenkomst verplaatsing bedrijf

Intentie overeenkomst: verplaatsen bedrijf naar  locatie A. conform de regels van het onteigeningsrecht. Nadien blijkt locatie A. geen haalbare optie. Hoe dan de overeenkomst uit te leggen?

De kern van het geschil is welke uitleg na het kort geding van 15 juli 2015 gegeven moet worden aan de intentieovereenkomst van 20 november 2013. Is, zoals [eisende partij] stellen, een nadere invulling gegeven aan die overeenkomst die inhoudt dat, kort gezegd, [A.] van de baan is en dat gezocht wordt naar verplaatsing van het bedrijf naar een andere geschikte locatie tegen volledige schadeloosstelling? Of is, zoals de gemeente hiertegen inbrengt, afzonderlijk van de intentieovereenkomst, een traject gevolgd om tot een minnelijke schikking te komen waardoor, nu dat minnelijke traject niet tot resultaat heeft geleid, de gemeente alleen bij verplaatsing naar [A.] is gehouden tot volledige schadeloosstelling?

5.3.

De Hoge Raad heeft in het Haviltexarrest van 13 maart 1981 (ECLI:NL:HR:1981:AG4158) de maatstaf gegeven die de rechter moet hanteren bij beantwoording van de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld. In dit arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract, maar dat het voor de beantwoording van die vraag aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (hierna ook: de Haviltexnorm). De Hoge Raad heeft dit in latere arresten verder uitgewerkt. In zijn uitspraak inzake DSM/Fox van 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, heeft de Hoge Raad overwogen dat zijn arresten als gemeenschappelijke grondslag hebben dat de rechter rekening dient te houden met alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. De Hoge Raad heeft meermaals overwogen dat ook gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst van belang kunnen zijn voor de aan die overeenkomst te geven uitleg (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2012:BX5572). Daarnaast neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat de overeenkomst, als de afspraken van de partijen leemten vertonen, op grond van de redelijkheid en billijkheid kan worden aangevuld in de zin van artikel 6:248 BW. Verder is in dit verband van belang dat de uitleg en aanvulling van een contract zoals hiervoor genoemd een juridisch oordeel van de rechter is en dat bewijslevering alleen dan aan de orde zal zijn als de feiten en omstandigheden die de door partijen voorgestane uitleg en aanvulling ondersteunen, zijn betwist.

De gemeente .. voert aan dat uit de feiten volgt dat partijen na het vonnis in kort geding twee sporen hebben gevolgd, te weten het beproeven van een minnelijke regeling voor een alternatieve verplaatsingslocatie met vergoeding van zekere kosten om de moeizame weg van verplaatsing naar [A.] te voorkomen, en het geven van uitvoering aan de intentieovereenkomst door het zetten van de eerste stap, te weten het laten verrichten van de taxatie door [R.] ten behoeve van de volledige schadeloosstelling.

De rechtbank is van oordeel dat met inachtneming van het in 5.3. aangehaalde beoordelingskader de overeenkomst aldus moet worden uitgelegd en aangevuld dat het door de gemeente als tweede spoor benoemde minnelijke traject een onderdeel van de overeenkomst vormt, en dat ook in dat spoor tot volledige schadeloosstelling zou worden overgegaan. Met andere woorden, ook als een andere locatie zou worden gevonden dan [A.] , zou dit tot volledige schadeloosstelling moeten leiden.

Rechtbank Noord-Nederland 20-06/18 inzake gem. Assen (ECLI:NL:RBNNE:2018:2284).