Ontgrondingsvergunning in relatie tot grondeigendom c.q. onteigening

Ter zitting hebben partijen medegedeeld dat de gronden die de maatschap in eigendom heeft nog niet door Rijkswaterstaat zijn verworven. Rijkswaterstaat heeft wel een bod gedaan op deze gronden, maar dit bod is niet aanvaard door de maatschap. Daarnaast heeft Rijkswaterstaat gesteld dat, indien minnelijke verwerving van de gronden van de maatschap niet mogelijk blijkt, zal worden overgegaan tot onteigening.

Het betoog van de maatschap over de belanghebbendheid van Rijkswaterstaat is gebaseerd op de veronderstelling dat enkel een eigenaar belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kan zijn. Deze veronderstelling vindt evenwel geen steun in de wet. Naar het oordeel van de Afdeling is de aanvrager voor een ontgrondingsvergunning belanghebbende bij een beslissing op de aanvraag, tenzij aannemelijk is dat de ontgronding nimmer uitgevoerd kan worden. De maatschap heeft dit niet aannemelijk gemaakt, zodat moet worden geoordeeld dat Rijkswaterstaat belanghebbende is.

Wat betreft het subsidiaire betoog van de maatschap, overweegt de Afdeling dat uit de Ontgrondingenwet niet volgt dat een ontgrondingsvergunning niet mag worden verleend in het geval de aanvrager van de vergunning nog geen rechthebbende is en de rechthebbende nog geen toestemming heeft gegeven voor de ontgronding van zijn perceel.

ABRS 24-08/16 project Heesseltsche Uiterwaarden (ECLI:NL:RVS:2016:2287).