Nadeelcompensatie: relatie art. 7.14 Waterwet

Minister wees verzoek om vergoeding af, op basis van voorzienbaarheid.

ABRS

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister, gelet op het volgende, het verzoek om nadeelcompensatie ten onrechte uitsluitend met toepassing van het beoordelingskader van artikel 22 van de Tracéwet afgehandeld.

9.4.    Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. In artikel 7.14, eerste lid, van die wet is bepaald dat aan degene die als gevolg van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer schade lijdt of zal lijden, op zijn verzoek door het betrokken bestuursorgaan een vergoeding wordt toegekend, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

9.5.     In het geval van [appellante] is de gestelde schade veroorzaakt door de feitelijke peilopzet. De feitelijke peilopzet is een rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer, als bedoeld in artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet. De feitelijke peilopzet heeft plaatsgevonden na de inwerkingtreding van de Waterwet. Dat betekent dat, gelet op artikel 2.34, eerste lid, van de Invoeringswet Waterwet, artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet in het geval van [appellante] van toepassing is. De minister heeft het verzoek om nadeelcompensatie ten onrechte niet tevens met toepassing van het beoordelingskader van artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet afgehandeld. Dat [appellante] op 15 juli 2015, ten tijde van de feitelijke peilopzet, nog geen eigenaar van de percelen was, is in dat kader niet relevant. Waar het om gaat, is of zij als gevolg van de feitelijke peilopzet schade heeft geleden of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel voor haar rekening behoort te blijven en die niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

    opdracht aan de minister

10.    De Afdeling ziet, in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil, aanleiding de minister op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen om het door haar vastgestelde gebrek in het besluit van 27 februari 2019 binnen dertien weken na verzending van deze tussenuitspraak te herstellen, door dat besluit alsnog toereikend te motiveren dan wel te wijzigen. Daartoe dient het college een nader advies van een deskundige in te winnen.

ABRS 12-08/20 inzake Minister I&W/TB Zandmaas Maasroute – peilverhoging (ECLI:NL:RVS:2020:1928)

Noot: het enkel beoordelen van schadeclaim als nadeelcompensatie ex art. 22 Tracéwet, is dus een te beperkte taakopvatting.