De rechtbank overweegt als volgt. De voorwaarden waaronder een perceel in erfpacht wordt gegeven, worden bepaald door de notariële vestigingsakte en de wettelijke bepalingen. De rechtszekerheid vereist dat een notariële vestigingsakte (van het erfpachtrecht) objectief moet worden uitgelegd in het licht van de gehele inhoud van de akte.
4.18.
De vestigingsakte van het erfpachtrecht in 1969 verwijst naar een raadsbesluit van 18 oktober 1966. Dit besluit verwijst weer naar een raadsbesluit van 18 december 1962. Het raadsbesluit uit 1962 bepaalt dat de uitgifte van de erfpacht geschiedt voor een periode van 50 jaar met een mogelijkheid tot verlenging tenzij het gemeentebelang zich daartegen verzet.
4.19.
De enkele verwijzing naar een raadsbesluit in de notariële vestigingsakte is niet voldoende om de in het raadsbesluit opgenomen voorwaarden onderdeel te laten zijn van de voorwaarden waaronder het erfpachtrecht is gevestigd. De inhoud van het erfpachtrecht volgt immers uit de akte van vestiging en krijgt zaaksgevolg door inschrijving van die akte in de openbare registers. Denkbaar is dat door een verwijzing in de vestigingsakte erfpachtrecht naar voorwaarden die niet in deze akte zijn opgenomen, deze voorwaarden toch onderdeel uitmaken van het erfpachtrecht. Daarvoor is dan wel vereist dat ook die voorwaarden door inschrijving in de openbare registers kenbaar zijn voor derden. Niet is gesteld of gebleken dat het raadsbesluit van 18 december 1962 in de openbare registers is ingeschreven, zodat aan het kenbaarheidsvereiste niet is voldaan. Hieruit volgt dat de voorwaarden in het raadsbesluit van 1962 geen onderdeel uitmaken van het erfpachtrecht.
Rechtbank Noord-Holland 22-0420 inzake Zandvoort (ECLI:NL:RBNHO:2020:2826)
Evenmin basis voor schadevergoeding ex-erfpachter.
Zie voor de doorslaggevende betekenis van de bewoordingen in de notariële akte ook Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-02/20 inzake Het Utrechtse Monumentenfonds (ECLI:NL:GHARL:2020:1172)