Geen 10 jaar onafgebroken bezit, geen verkrijgende verjaring

De vereisten voor verkrijgende verjaring van een registergoed zijn (1) bezit, (2) onafgebroken bezit gedurende 10 jaar en (3) bezit te goeder trouw.

Voor de beantwoording van de vraag of iemand een goed in bezit heeft genomen, is bepalend of hij zich de feitelijke macht over dat goed heeft verschaft (artikel 3:113 lid 1 BW). Voor inbezitneming van een goed dat in het bezit van een ander is, geldt dat enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen ontoereikend zijn (artikel 3:113 lid 2 BW). Vereist is dat de machtsuitoefening zodanig is dat naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter wordt tenietgedaan. Het antwoord op de vraag of iemand de voor bezit vereiste feitelijke macht uitoefent, wordt, evenals de vraag of hij voor zichzelf of voor een ander houdt, beoordeeld naar verkeersopvatting en overigens op grond van uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW). De rol van de verkeersopvatting brengt mee dat daarbij de aard en de bestemming van het betrokken goed in aanmerking moet worden genomen. Verder geldt dat wanneer men heeft aangevangen krachtens een rechtsverhouding voor een ander te houden, men daarmede onder dezelfde titel voortgaat, zolang niet blijkt dat hierin verandering is gebracht, hetzij ten gevolgde van een handeling van hem voor wie men houdt, hetzij ten gevolge van een tegenspraak van diens recht (artikel 3:111 BW).

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18-03/25 (ECLI:NL:GHARL:2025:1671)

Noot: voor rol verkeersopvattingen zie HR 08-11/24 (ECLI:NL:HR:2024:1606)