De richtlijnen in dergelijke taxatiewijzers en de daarbij opgenomen kengetallen zijn bedoeld als handvat voor de waardering van de daarin bedoelde objecten. Het zijn hulpmiddelen voor de heffingsambtenaar om de waarde van een onroerende zaak te bepalen in overeenstemming met het waardebegrip van artikel 17 van de Wet WOZ. Het zijn geen algemeen verbindende voorschriften en evenmin beleidsregels waaraan de heffingsambtenaar op de voet van artikel 4:84 Awb is gebonden. De waarde zoals omschreven in artikel 17 van de Wet WOZ is de toetssteen. Of de algemene gegevens uit een taxatiewijzer en de daarbij opgenomen kengetallen daarmee in overeenstemming zijn, en de toepassing ervan daarom kan worden aanvaard, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en dient daarom per geval te worden beoordeeld, rekening houdend met de kenmerken en omstandigheden van de desbetreffende onroerende zaak. In de Taxatiewijzer die in deze zaak aan de orde is, staat ook dat voor het bepalen van de gecorrigeerde vervangingswaarde moet worden beoordeeld of het te taxeren object afwijkt van de gemiddelde objecten die de basis hebben gevormd voor de kengetallen, en of er andere omstandigheden zijn die ertoe leiden dat de resterende levensduur of de restwaarde afwijkt van de kengetallen.
De bewijslast voor een afwijking van de Taxatiewijzer op het punt van de restwaarde rust alleen op belanghebbende indien zij de richtsnoeren van de Taxatiewijzer en de daarbij behorende kengetallen met betrekking tot dit aspect van de waardering op zichzelf als uitgangspunt heeft aanvaard. Anders rust de bewijslast op de heffingsambtenaar.
HR 13-02/26, inzake Utrecht (ECLI:NL:HR:2026:234)