Artikel 38 Onteigeningswet

Het beroep op artikel 38 Ow ten aanzien van perceel 2613 slaagt niet

Artikel 38 Ow luidt:

1. Gebouwen, van welke een gedeelte onteigend wordt, moeten, op de vordering des eigenaars bij zijne conclusie, in art. 24 genoemd, door de onteigenende partij geheel worden overgenomen.

  1. Ditzelfde zal met erven moeten geschieden, wanneer deze door de onteigening tot een vierde hunner uitgestrektheid verminderen of kleiner dan tien aren worden.
  2. Deze overneming kan echter niet gevorderd worden, wanneer het overgebleven stuk gronds onmiddellijk aan een ander erf van denzelfden eigenaar grenst.
[gedaagde] vordert dat de gemeente perceel 2613 overneemt op grond van artikel 38 Ow, omdat het perceel na de onteigening volgens haar geen reële (gebruiks)waarde meer heeft. Lid 2 van artikel 38 Ow bepaalt wanneer een gebrek aan reële gebruikswaarde aanwezig moet worden geacht, namelijk: als 25% of minder, of 1.000 m² of minder aan oppervlakte resteert ná onteigening. Hieraan wordt in dit geval niet voldaan. Perceel 2613 is immers 1.200 m² groot, dat is dus meer dan 1.000 m². Bovendien: voor zover perceel [kadastrale aanduiding 1] (ter grootte van 2.145 m²) en perceel 2613 (ter grootte van 1.200 m²) samen (3.345 m²) kwalificeren als erf in de zin van artikel 38 lid 2 Ow, dan resteert na onteigening aan oppervlakte niet 25% of minder, maar (bijna) 36%. Dat is dus te veel. [gedaagde] komt in haar berekening wél uit op een resterende oppervlakte van minder dan 25%, maar zij rekent ten onrechte ook perceel [kadastrale aanduiding 2] mee in de totale oppervlakte. [gedaagde] is slechts deelgerechtigd ten aanzien van perceel [kadastrale aanduiding 2] . Bovendien sluit perceel [kadastrale aanduiding 2] niet aan op perceel 2613. Het beroep op artikel 38 Ow slaagt daarom niet.

Rechtbank Gelderland inzake Maasdriel 10-12/25 (ECLI:NL:RBGEL:2025:10851)

Noot: heel veel rechtspraak over art. 38 Onteigeningswet is er niet. Hoogstate is op dit moment betrokken bij een aangekondigde onteigening, waarbij de grondeigenaar stelt dat het overblijvende (de bedrijfswoning op basis van het vigerende bestemmingsplan) na onteigening van de bedrijfsgebouwen gelet op de planvoorschriften niet meer als zodanig gebruikt/bewoond zou mogen worden. Met hierbij (mede) een beroep op art. 11 lid 3 Omgevingswet (de opvolger van art. 38 Onteigeningswet), ook al valt dat niet onder de exacte terminologie van het betreffende artikel.