“Op grond van artikel 7:275 BW kan [appellant] een vergoeding worden toegekend ter tegemoetkoming in de door hem te maken verhuis- en inrichtingskosten. De kantonrechter acht toekenning van een vergoeding ook gepast, nu [appellant] de gehuurde woning moet verlaten, omdat [geïntimeerde] de woning zelf in gebruik wenst te nemen. Gelet op de omstandigheden van het geval zal de kantonrechter een tegemoetkomingtoekennen van € 7.500,00.” (onderstrepingen hof)
In het licht van de parlementaire geschiedenis en de onderstreepte bewoordingen in voormelde overweging begrijpt het hof dat de kantonrechter het oog heeft gehad op een toekomstige situatie, waarin de verhuis- en inrichtingskosten daadwerkelijk zullen zijn gemaakt. Het gaat volgens voormelde overweging immers om nog te maken kosten en dat zo’n tegemoetkoming in die kosten eerst gepast is als [appellant] de woning moet verlaten. De hiervoor aangehaalde overweging past derhalve niet als motivering voor een verhuis- en inrichtingsvergoeding van € 7.500,00 die thans reeds zou kunnen worden geïnd. De uitvoerbaar verklaring bij voorraad van de verhuis- en inrichtingsvergoeding beschouwt het hof dan ook als een klaarblijkelijke juridische misslag.
Hof ’s Hertogenbosch 20-12/16 (ECLI:NL:GHSHE:2016:5614).