Geen tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten. [gedaagde = huurder] heeft geen vordering in reconventie ingesteld4 om [eiseres = verhuurder die de huur heeft opgezegd] te veroordelen tot betaling van een schadeloosstelling aan haar, maar slechts bij verweer aangevoerd dat [eiseres] haar een schadeloosstelling verschuldigd is. Anders dan [gedaagde] heeft betoogd, kan bij rechterlijke uitspraak geen schadeloosstelling worden vastgesteld als daartoe geen vordering is gedaan. Voor vaststelling van schadeloosstelling als bedoeld in artikel 7:309 BW is een vordering nodig.
Over het algemeen komen huurders bij de beëindiging van huur niet in aanmerking voor een volledige schadeloosstelling. Dat is anders als er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 7:309 BW. In artikel 7:309 BW is – kort gezegd – bepaald dat de verhuurder een schadeloosstelling aan de huurder moet betalen, als de huurovereenkomst eindigt door opzegging in verband met de sloop van het gehuurde voor de uitvoering van werken in algemeen belang. Dit wetsartikel bestaat om de ongelijkheid op te heffen tussen gevallen waarin daadwerkelijk onteigening plaatsvindt (en de aanspraken van huurders op grond daarvan aan bod komen), en gevallen waarin voor onteigening in aanmerking komend onroerend goed zonder onteigeningsprocedure wordt verkregen. Er hoeft geen daadwerkelijke onteigening in het spel te zijn of te dreigen om artikel 7:309 BW toe te passen, maar artikel 7:309 BW is wel alleen bedoeld voor gevallen die sterke verwantschap vertonen met die waarin onteigening in aanmerking zou komen. Als dus sprake is van andere gevallen, waarin de beweegredenen die de verhuurder voor beëindiging van de huur heeft onvoldoende overeenkomst vertonen met de situatie waarin ook onteigening zou kunnen plaatsvinden, komen huurders niet voor schadeloosstelling in aanmerking.
Op [gedaagde] rust volgens de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de stelplicht en de bewijslast dat aan de eisen van artikel 7:309 lid 1 BW is voldaan.
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] geen feiten en/of omstandigheden heeft aangevoerd die, indien bewezen, tot de conclusie kunnen leiden dat de afbraak van het gebouw binnen zes jaar na de op 25 oktober 2021 gedane opzegging aanvangt. Van het in artikel 7:309 lid 3 BW neergelegde wettelijk vermoeden is dan ook geen sprake.
Rechtbank Midden-Nederland 06-05/26 (ECLI:NL:RBMNE:2026:2450)
Noot: in dit vonnis wordt uitvoering toegelicht waarom er hier wel sprake is van Dringend Eigen Gebruik. Voor een afweging van de belangen van verhuurder en huurder is dan geen plaats. Een renovatie als deze, die neerkomt op sloop met vervangende nieuwbouw, wordt aangemerkt als duurzaam gebruik van het gehuurde als die renovatie zonder beëindiging van de huur niet mogelijk is.