Claim immateriële schade vanwege lange looptijd onteigening

[gedaagden] betoogt dat de Staat in aanvulling op het bovenstaande ook de immateriële schade moet vergoeden die hij heeft geleden en lijdt door het overschrijden van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden waarbinnen de onteigeningsprocedure had moeten zijn afgewikkeld. De gerechtelijke onteigeningsprocedure – gerekend vanaf het verzoekschrift van 22 augustus 2019 tot het houden van een descente – duurt inmiddels meer dan zes jaar. De administratieve fase meegerekend – die is begonnen met het ter inzage leggen van het ontwerp KB per 8 november 2018 – duurt de onteigeningsprocedure inmiddels zelfs al meer dan zeven jaar, aldus [gedaagden] Volgens [gedaagden] is daarmee de redelijke termijn overschreden. Hij maakt aanspraak op een bedrag van € 5.000,00 bij wijze van vergoeding voor de immateriële schade die volgens hem het gevolg is van deze termijnoverschrijding.

Voor toekenning van een vergoeding voor immateriële schade bestaat in deze procedure geen grond. De gestelde schade als gevolg van de lange duur van de behandeling van de zaak staat in onvoldoende verband tot de onteigening om te kunnen worden aangemerkt als gevolg van de onteigening. De schade kan dan ook niet van de processuele wederpartij worden gevorderd. In geval van overschrijding van de redelijke termijn in een civiele procedure moet een daarop gerichte vordering tot schadevergoeding worden ingesteld in een afzonderlijke procedure uit onrechtmatige daad tegen het staatsonderdeel dat daarvoor aansprakelijk is. Dat is niet de eisende partij in deze procedure, te weten het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, maar het Ministerie van Justitie en Veiligheid.

Rechtbank Gelderland, 28-01/26 inzake ViA15 (ECLI:NL:RBGEL:2026:648)

Noot: voor immateriële schade / overschrijding redelijke termijn zie HR 28-03/14 inzake De Bilt (ECLI:NL:HR:2014:736)