Burenrecht: verkrijgende verjaring strook grond

Bijzondere taxaties

vrijdag, 7 augustus 2020

Hof concludeert tot verkrijgende verjaring: bezitter in plaats van houder.

In elk geval moet er sprake van zijn dat een ander dan de eigenaar de zaak in bezit heeft genomen. Verkrijgende verjaring van onroerende zaak betekent dat die ander de eigendom verkrijgt door dat bezit gedurende tien jaar voort te zetten. Daarbij moet die ander goede redenen hebben om te denken dat hij daartoe het recht heeft (goede trouw). Bevrijdende verjaring betekent dat die ander, die de zaak in bezit heeft genomen (of hij nu te goeder trouw is of niet) de eigendom krijgt omdat de oorspronkelijke eigenaar na verloop van 20 jaar zijn eigendom niet meer kan terugvorderen. In beide gevallen moet die ander, die de zaak in bezit heeft genomen, zich zodanig gedragen dat anderen daaruit moeten afleiden dat die ander vindt dat hij eigenaar is. Met andere woorden: er moet sprake zijn van bezitsdaden. Of er op die manier bezit is uitgeoefend moet per geval worden bekeken. In elk geval is het aanleggen en onderhouden van een tuintje niet genoeg, er komt meer bij kijken. Het gaat er verder niet om wat zich enkel in het hoofd van de betrokkenen heeft afgespeeld (dat is subjectief) maar om de feitelijke situatie en om wat er allemaal is gedaan en gebeurd. Dat wordt dan met de blik van buiten (dus objectief) uitgelegd: voor een buitenstaander moet uit het gedrag van de ander duidelijk zijn dat hij denkt de eigenaar te zijn.

Verder geldt dat als eenmaal een zaak in bezit is genomen, de verjaring wordt voortgezet door de rechtsopvolger die dat bezit overneemt. In dit geval heeft [geïntimeerde] het gebruik van de strook die oorspronkelijk deel uitmaakte van het perceel van [appellant] voortgezet na het gebruik daarvan door zijn ouders. Wie op welk moment juridisch eigenaar was van het perceel van [geïntimeerde] , is dan niet relevant. Het hof is het dus niet eens met [appellant] dat de verjaringstermijn pas in 2009 is aangevangen, na het overlijden van de moeder van [geïntimeerde] , toen [geïntimeerde] – al of niet samen met andere erfgenamen – juridisch eigenaar van zijn perceel werd.

Bezitsdaden

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg foto’s overgelegd. De kantonrechter heeft daaruit afgeleid dat in elk geval vanaf 1981 een schutting de strook afscheidde van het perceel van [appellant] . Op de betreffende foto en ook op de foto’s van daarna is duidelijk te zien dat schuttingen zijn geplaatst die de strook voor de eigenaren van perceel 4515 ontoegankelijk maken, terwijl de strook wel bij (de ouders van) [geïntimeerde] in gebruik bleef. Die strook was zo breed dat er een auto kon staan. [appellant] heeft het oordeel van de kantonrechter in hoger beroep niet gemotiveerd bestreden en ook niet dat door (de ouders van) [geïntimeerde] bezitsdaden zijn gepleegd door die schuttingen te plaatsen. [appellant] heeft ook niet uitgewerkt dat uit hun gedrag bleek dat zij dachten dat zij toestemming van [appellant] hadden om de schutting te plaatsen. Volgens [appellant] hebben de toenmalige buren het plaatsen van de schutting niet met elkaar besproken. Tijdens de descente in hoger beroep zijn nog steeds schuttingen aan de zij- en achterkant geconstateerd, ook al ging het daarbij om inmiddels vernieuwde afscheidingen.

Na 1981 zijn 20 jaar verstreken, zodat (de rechtsvoorganger van) [geïntimeerde] ook gedurende de verjaringstermijn voor verkrijgende verjaring bezitsdaden heeft gepleegd. In 2001 is (de rechtsvoorganger van) [geïntimeerde] daarom eigenaar geworden van de strook omdat [appellant] toen zijn eigendom niet meer kon terugvorderen. De vordering tot ontruiming van de strook heeft de kantonrechter dus terecht afgewezen.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 04-08/20 (ECLI:NL:GHARL:2020:6135)

Noot: functie van verkrijgende verjaring: bewerkstelligen dat het recht zich zo veel mogelijk bij de feitelijke toestand aansluit.