Vabeog/Tiel: geen vergoeding wederbelegging/wederaankoop

zaterdag, 25 juli 2020

Geding na verwijzing (Hoge Raad: ECLI:NL:2016:1273). Onteigening. Geen schadeloosstelling voor wederbelegging / wederaankoop omdat Vabeog de onteigende percelen zou hebben verkocht indien er geen onteigening had plaatsgevonden.

Ook de onteigende percelen vormden naar de overtuiging van het hof gedurende lange tijd een duurzame belegging, ook al lagen de percelen op 23 maart 2011 braak. 

De onteigening weggedacht ligt het dan ook in de rede dat Vabeog als belegger de percelen zou hebben verkocht omdat zij de door haar beoogde bedrijfsbestemming niet kon realiseren. Onder die omstandigheden is er geen grond voor het oordeel dat Vabeog niet volledig schadeloos wordt gesteld als zij geen kosten van wederaankoop vergoed krijgt. In zoverre vloeit er uit de onteigening geen redelijk belang van Vabeog voort dat vergoeding van kosten van wederaankoop vordert en is niet voldaan aan de door de Hoge Raad geformuleerde criteria daarvoor.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-07/20; ECLI:NL:GHARL:2020:5771

Noot: wederbeleggingskosten kent als duidelijke weegfactoren: duurzame belegging + redelijk belang vordert herbelegging.

Voor aankoop vervangend bedrijfsmiddel (al dan niet door project ontwikkelaar) zijn de meningen wat meer verdeeld. Zie ook TBR 2018 bladzijden 177 e.v. voor annotatie Sluysmans.

Voorgeschiedenis.

Rechtbank: Bij vonnis van 15 oktober 2014, zoals gecorrigeerd bij vonnis van 9 december 2014, heeft de rechtbank Gelderland de aan Vabeog toekomende schadeloosstelling vastgesteld op € 763.000. Daarvan zag € 63.000 op schade door transactiekosten bij het aankopen van vervangende grond (‘kosten van wederaankoop’). De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 24 juni 2016 het vonnis van de rechtbank vernietigd omdat (zie rechtsoverwegingen 5.1.3 en 5.1.4 van dat arrest) de rechtbank niet voldoende had gemotiveerd (i) dat Vabeog het onteigende als duurzame belegging aanhield en (ii) dat het redelijk belang van Vabeog herbelegging in onroerende zaken vorderde. Vabeog kon uitsluitend aanspraak maken op vergoeding van kosten van herbelegging wanneer aan die beide voorwaarden was voldaan, aldus het arrest van de Hoge Raad