Erfpacht: vergoedingsplicht woningen art 5:99 BW geldt niet voor oude contracten

Erfpacht

donderdag, 9 juli 2020

Artikel 5:99 lid 1 BW is niet van toepassing op erfpachtcontracten die vóór 1 januari 1992, waren gesloten (zie artikel 170 Overgangswet NBW). Artikel 5:99 BW is niet van toepassing via de band van artikel 5:105 BW. Er is sprake vaneen erfpachtafhankelijk opstalrecht, dat niet los van het verleende recht van erfpacht kan worden gezien en ook eindigt als het recht van erfpacht eindigt. Het strookt dan niet met de achterliggende gedachte achter artikel 170 Overgangswet NBW om artikel 5:99 BW alsnog van toepassing te verklaren op zo’n erfpachtafhankelijk opstalrecht. In oude erfpachtcontracten kon immers geen rekening worden gehouden met de vergoedingsverplichting die de wetgever heeft opgenomen in artikel 5:99 BW.

Het hof voegt daar nog het volgende vaststaande feit aan toe.
Op 14 februari 2020 is een definitief deskundigenbericht uitgebracht door drie deskundigen die zijn benoemd op de wijze zoals bepaald in artikel 15 lid 1 van de vestigingsakte (hierna: het deskundigenbericht). In dit deskundigenbericht is de op grond van artikel 15 lid 3 van de vestigingsakte te berekenen waarde van de opstal en de goedgekeurde investeringen getaxeerd op een bedrag van € 390.000,-.

Hof: De conclusie luidt dat [appellante] geen recht heeft op een vergoeding, anders dan in de vestigingsakte bepaald.

Uit artikel 15 van de vestigingsakte, in samenhang gelezen met de Bepalingen in de verlengingsakte, vloeit voort dat [appellante] recht heeft op vergoeding van het laagste van de navolgende twee bedragen:

  • De deskundigen hebben in hun rapportage gemotiveerd uiteengezet dat de op grond van artikel 15 lid 2 van de vestigingsakte te taxeren herbouwwaarde (door de deskundigen gecorrigeerde vervangingswaarde genoemd) € 474.832 bedraagt.
  • De op grond van artikel 15 lid 3 van de vestigingsakte en de Bepalingen in de verlengingsakte te bepalen waarde hebben de deskundigen begroot op € 390.000,-.
    Uit artikel 15 lid 4 van de vestigingsakte vloeit voort dat [appellante] de laagste van de twee bedragen, een vergoeding toe van € 390.000,-, toekomt bij ontruiming van het perceel en de daarop staande gebouwen.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30-06/20 inzake Utrechts Landschap (ECLI:NL:GHARL:2020:4935)