Geen minnelijk akkoord over kosten deskundige bijstand onteigening

Onteigening

zaterdag, 4 april 2020

[gedaagde sub 1 c.s.] maken aanspraak op volledige vergoeding van de kosten van de volgende aan hen verleende deskundige en rechtskundige bijstand tijdens onderhavige onteigeningsprocedure, de daaraan voorafgaande onderhandelingen, de administratieve procedures en de verzoekschriftprocedure:

(a) kosten deskundige bijstand de heer [A] € 73.271,55
(b) kosten rechtskundige bijstand de heer [B] en mevrouw [B-2] € 12.834,95
(c) kosten deskundige bijstand de heer [C] € 23.020,25
(d) kosten deskundige bijstand [D] € 28.818,27
(e) kosten juridische bijstand mr. De Groot van AKD € 147.011,42
___________
totaal inclusief btw € 284.956,04

In algemene zin heeft de Gemeente gesteld dat zowel het aantal deskundigen als de omvang van de kosten niet redelijk is.

Bij de beoordeling van de kosten geldt als uitgangspunt dat de door een onteigende gemaakte kosten van rechtskundige en deskundige bijstand op grond van artikel 50 Ow voor vergoeding in aanmerking komen. Dit betreft niet alleen kosten gemaakt in het kader van dit onteigeningsgeding. In zijn arrest van 6 februari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:250) heeft de Hoge Raad overwogen dat de kosten van bijstand in de bestuurlijke procedure die uitmondt in het onteigeningsbesluit op grond van artikel 50 lid 4 Ow voor vergoeding in aanmerking komen. Uit het vorenstaande volgt dat de door [gedaagde sub 1 c.s.] opgevoerde kosten van rechtskundige en deskundige bijstand in de eerste administratieve procedure die niet is uitgemond in het onteigeningsbesluit en in de verzoekschriftprocedure niet op grond van artikel 50 Ow voor vergoeding in aanmerking komen. De Gemeente is echter in het kader van de bereikte overeenstemming bereid geweest om op dit punt concessies te doen; artikel 5. van de vaststellingsovereenkomst – nog onverkort van toepassing gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – biedt ter zake de grondslag voor vergoeding. Artikel 5 van de vaststellingsovereenkomst biedt ook de grondslag voor de kosten gemaakt in de artikel 57 Ow procedure. Eén en ander betekent niet dat betreffende kosten steeds (in volle omvang) dienen te worden vergoed. De onteigeningsrechter dient te toetsen of de kosten redelijkerwijs zijn gemaakt en of deze binnen een redelijke omvang zijn gebleven. De rechter heeft daarbij een grote vrijheid, terwijl artikel 50 lid 4 Ow hem in belangrijke mate ontheft van zijn motiveringsplicht (ECLI:NL:HR2013:BY0547). Toepassing van de dubbele redelijkheidtoets leidt de rechtbank per kostenpost tot het volgende oordeel.

Rechtbank:

Taxateur heeft € 165,- uur exclusief btw geschreven. Het gehanteerde uurtarief, waartegen ook overigens geen bezwaren zijn aangevoerd, komt de rechtbank niet onredelijk voor. Wel “korting” op het aantal gedeclareerde uren.

Het voorgaande betekent dat de Gemeente voor de kosten voor rechtskundige en deskundige bijstand aan [gedaagde sub 1 c.s.] dient te vergoeden een bedrag van ((a) € 53.706,- + (b) € 12.834,95 + (c) 10.000,- + (d) € 23.020,25 + (e) € 147.011,42 = (afgerond) € 246.573,- inclusief btw nu expliciet is gesteld dat [gedaagde sub 1 c.s.] de btw niet kunnen verrekenen.

Rechtbank Den Haag 25-03/20 inzake Gemeente Pijnacker-Nootdorp (ECLI:NL:RBDHA:2020:2582)

Noot: de voortdurend terugkerend  discussie over vergoeding deskundigenkosten artikel 50 Onteigeningswet, met de welbekende dubbele redelijkheidstoets. .