Procedure planschade gevolgd door claim nadeelcompensatie

Nadeelcompensatie Planschade

vrijdag, 15 november 2019

Deze schade is in de planschadeprocedure niet voor vergoeding in aanmerking gekomen, omdat deze binnen het normaal maatschappelijk risico valt. Ook bij schadevergoeding op grond van het zogeheten égalitébeginsel, zoals hier aan de orde, zal sprake moeten zijn van onevenredige, buiten het normaal maatschappelijk risico, vallende schade. In het midden kan blijven of de door [appellante] gestelde schade mede haar oorzaak vindt in de verleende omzettingsvergunning, omdat ook in dat geval de schade binnen het normaal maatschappelijk risico valt. Ook in de verleende omzettingsvergunning kan daarom geen grond worden gevonden voor inwilliging van het verzoek om schadevergoeding.

ABRS 13-11/19 inzake Den Haag (ECLI:NL:RVS:2019:3834)

Noot: [appellante] heeft verzocht om vergoeding van schade veroorzaakt door de door het college verleende omgevingsvergunning. Aan haar verzoek om nadeelcompensatie heeft [appellante] artikel 3:4 van de Awb ten grondslag gelegd. Het gaat om dezelfde schade als bij haar eerdere aanvraag om vergoeding van planschade op grond van artikel 6.1 van de Wro. Bij de inhoudelijke beoordeling van haar aanvraag om tegemoetkoming in planschade is nagegaan of de gestelde schadeoorzaak een oorzaak is als bedoeld in artikel 6.1 van de Wro. Voor tegemoetkoming in schade op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wro, buiten de in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro limitatief opgesomde gevallen, is geen plaats (uitspraak van 2 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU3111). Als geen recht op tegemoetkoming in schade als gevolg van een van die planologische maatregelen bestaat op grond van artikel 6.1 van de Wro, omdat aan de daarvoor geldende voorwaarden niet wordt voldaan, kan de aanvrager niet op een andere grondslag alsnog aanspraak maken op vergoeding van schade als gevolg van diezelfde planologische maatregelen. Op dit uitgangspunt behoort een uitzondering te worden gemaakt in die gevallen waarin de gestelde schade niet of niet uitsluitend kan worden aangemerkt als een rechtstreeks gevolg van het besluit, maar wel aan daaruit voortvloeiende besluiten of uitvoeringshandelingen.