Positie taxateur bij planschade: NRVT-tuchtrechter versus Afdeling

Planschade

zondag, 6 oktober 2019

Uit de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:160) valt af te leiden dat de maatstaven voor tegemoetkoming in planschade van overeenkomstige toepassing zijn op schadevergoeding krachtens artikel 22 van de Tracéwet. Daarom is voor het plangebied een vergelijking gemaakt tussen het regime van het Tracébesluit en het onmiddellijk daaraan voorafgaande regime van het bestemmingsplan Buitengebied 1996 van 8 september 1997 (hierna: het oude bestemmingsplan).

Appellant brengt in: Het tuchtcollege heeft onder meer overwogen dat het wenselijk is dat de register-taxateur die is benoemd in een commissie die als taak heeft Rijkswaterstaat te adviseren omtrent planschade, niet degene is die een taxatierapport opstelt dat als uitgangspunt dient voor de berekening van de nadeelcompensatie. In deze situatie acht het tuchtcollege de rol van de register-taxateur te nauw verweven met de opdrachtgever om te kunnen voldoen aan het fundamentele beginsel van objectiviteit en onafhankelijkheid. Dat [appellant] zich niet tegen de benoeming van Kraak als lid van de commissie heeft uitgesproken, doet daaraan niet af. Kraak heeft zich onvoldoende gerealiseerd dat hij in de dubbelrol van taxateur en lid van de commissie in strijd zou kunnen handelen met de eisen van objectiviteit en onafhankelijkheid, in wezen en in schijn, aldus het tuchtcollege.

ABRS:   Bij het nemen van het besluit van 31 oktober 2017 was de minister niet gebonden aan de uitspraak van het tuchtcollege. Uit deze uitspraak valt verder niet af te leiden waarom naar het oordeel van het tuchtcollege de schijn is gewekt dat niet aan de eisen van objectiviteit en onafhankelijkheid is voldaan. Dat Kraak, in zijn hoedanigheid van register-taxateur, een taxatierapport heeft opgemaakt en de adviescommissie, waarvan hij lid was, dat taxatierapport ten grondslag heeft gelegd aan een advies over een verzoek om nadeelcompensatie, is daarvoor op zichzelf niet voldoende. Deze gang van zaken is in nadeelcompensatiezaken niet ongebruikelijk. Dat Kraak vaker in opdracht van Rijkswaterstaat advies over nadeelcompensatie en planschade heeft uitgebracht, zoals in de uitspraak van het tuchtcollege is vermeld, is evenmin reden voor twijfel aan de onafhankelijkheid of onpartijdigheid van Kraak. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3441). Hetzelfde geldt voor de stelling van [appellant] dat Kraak er, gelet op toekomstige opdrachten, belang bij heeft zijn taxatie in stand te houden. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1718). Ten slotte heeft de minister ter zitting verklaard dat Kraak alleen als deskundige optrad en niet als gemachtigde of belangenbehartiger. Dit geval komt derhalve niet overeen met het geval dat heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1970).

Het betoog faalt.

ABRS 02-10/19 inzake N18 Boekelo (ECLI:NL:RVS:2019:3302)

Noot: De Afdeling toont meer begrip voor de gang van zaken in de praktijk bij deze schadebeoordelingen, dan de tuchtrechter toonde.