Inbrengwaarde: hier niet onteigeningsbasis en niet vergelijkingsmethode

Grondexploitatiewet

dinsdag, 20 augustus 2019

14.2.    De Afdeling overweegt onder verwijzing naar de ook door de raad genoemde uitspraak van 1 juni 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BQ6839), dat uit artikel 6.13, vijfde lid, van de Wro volgt dat, tenzij reeds is onteigend, slechts indien aannemelijk is dat onteigend zal worden dan wel gronden op onteigeningsbasis zijn of worden verworven, de inbrengwaarde van gronden niet wordt vastgesteld met overeenkomstige toepassing van de artikelen 40b tot en met 40f van de onteigeningswet, maar gelijk is aan schadeloosstelling ingevolge de onteigeningswet. De raad heeft onweersproken gesteld dat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan en exploitatieplan met [appellant sub 2] werd overlegd over de minnelijke verwerving van de voor de realisering van het bestemmingsplan benodigde gronden. De raad was op dat moment niet voornemens om tot onteigening over te gaan. Als de raad tot alsnog tot onteigening mocht overgaan zal bij de jaarlijkse herziening van het exploitatieplan de inbrengwaarde worden herzien en een onteigeningsschadeloosstelling worden opgenomen, aldus de raad De juistheid van deze stellingen ziet de Afdeling bevestigd in het gegeven dat ter zitting aan de orde is geweest dat partijen nog altijd met elkaar in overleg zijn over minnelijke verwerving en dat onlangs een conceptkoopovereenkomst aan [appellant sub 2] is voorgelegd.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad terecht heeft gesteld dat ten tijde van het bestreden besluit niet aannemelijk was dat de te verwerven gronden op onteigeningsbasis zouden worden verworven. Hieruit volgt dat de raad de inbrengwaarde terecht heeft geraamd op basis van de artikelen 40b tot en met 40f van de onteigeningswet. Het betoog faalt.

Zoals de Afdeling heeft overwogen (uitspraak van 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2862, r.o. 17.5), dwingen de artikelen 40b tot en met 40f van de onteigeningswet niet tot het hanteren van de ene dan wel de andere taxatiemethode. Welke methode in een concreet geval wordt gebruikt staat ter beoordeling van de onafhankelijke taxateur.

ABRS 14-08/19 inzake gemeente Westland (ECLI:NL:RVS:2019:2771)