Voorzienbaarheid in twee onderdelen, waarbij één door gelaedeerde “geaccepteerd” is

Planschade

dinsdag, 11 juni 2019

Eerdere uitspraak ABRS: geen voorzienbaarheid.

In de uitspraak van 9 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2512), heeft de Afdeling geoordeeld dat het college zich ten onrechte op dit standpunt heeft gesteld, nu [appellant] de koopovereenkomst op 26 augustus 2005, en derhalve voor de terinzagelegging van het voorontwerpbestemmingsplan, heeft getekend, en hij op het moment dat hij akkoord ging met de koopprijs geen rekening kon houden met de voor het perceel nadelige planologische ontwikkeling.

De rechtbank heeft in de uitspraak van 7 mei 2018 (hierna verder: uitspraak 2) geoordeeld dat het college zich op dit standpunt heeft mogen stellen. De discussie heeft zich hierbij enkel toegespitst op de voorzienbaarheid van de woningbouw

Omvang van het geschil

  1. Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Rielse Park” in een planologisch nadeliger situatie is komen te verkeren. Evenmin is in geschil dat de door hem geleden planschade€ 75.000,00 bedraagt en dat € 55.000,00 daarvan moet worden toegerekend aan de mogelijk gemaakte woningbouw en € 20.000,00 aan de mogelijk gemaakte uitbreiding van het sportpark. In geschil is uitsluitend nog of het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de uitbreiding van het sportpark ten tijde van de aankoop van het perceel voor [appellant] voorzienbaar was.

ABRS

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 mei 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AX2074) heeft het niet instellen van hoger beroep tegen de eerdere uitspraak van de rechtbank tot gevolg dat, indien in beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar beroepsgronden worden aangevoerd die door de rechtbank in die eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, de rechtbank van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden heeft uit te gaan. Tot een vergelijkbaar oordeel moet worden gekomen, indien een bestuursorgaan geen hoger beroep instelt tegen een uitspraak van de rechtbank waarin zij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel heeft gegeven ten aanzien van hetgeen het bestuursorgaan aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd. Ook in dat geval vergt het gezag van de rechterlijke uitspraak waartegen geen rechtsmiddel is aangewend dat in het vervolg van de procedure wordt uitgegaan van de juistheid van de aan de vernietiging ten grondslag gelegde overwegingen.

Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd. Nu het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de uitbreiding van het sportpark ten tijde van de aankoop van het perceel voor [appellant] voorzienbaar was, blijft de planschade die hij als gevolg van die ontwikkeling lijdt, voor zijn risico.

ABRS 05-06/19 inzake Geldrop-Mierlo (ECLI:NL:RVS:2019:1819)