Minnelijke onderhandelingen gedoogplicht

Bijzondere taxaties

zaterdag, 20 oktober 2018

[appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van de minister heeft onderschreven dat het hoogheemraadschap een serieuze en redelijke poging heeft ondernomen om langs minnelijke weg tot overeenstemming te komen. Hiertoe voert hij aan dat de voorgestelde vergoeding van € 4.000,00 op voorhand als onwerkelijk en onredelijk moet worden aangemerkt. Het aantal met hem gevoerde gesprekken geeft volgens hem voorts geen goed beeld van de intentie of de ernst van de gesprekken. Verder is er geen overleg geweest over de ligging van de leiding in het perceel, aldus [appellant].

3.1.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:833, volgt uit artikel 2, vijfde lid, van de BP dat de minister een gedoogplicht eerst kan opleggen, indien langs minnelijke weg redelijkerwijs niet de gewenste vorm van overeenstemming kan worden bereikt. In dat kader moet de minister zich ervan vergewissen dat een serieuze en redelijke poging is ondernomen om langs minnelijke weg tot overeenstemming te komen, waarbij de minister moet onderzoeken of de voorstellen tot vergoeding niet op voorhand onwerkelijk en onredelijk zijn.

3.2.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht het standpunt van de minister onderschreven. Zoals de rechtbank terecht heeft geconstateerd, blijkt uit de door het hoogheemraadschap overgelegde logboeken dat vanaf mei 2014 op verschillende manieren contact met [appellant] is geweest en dat ook via mediation is geprobeerd tot een oplossing te komen. Het door het hoogheemraadschap gedane bod van € 4.000,00 voor het gebruik van het werkterrein en het sluiten van een opstalovereenkomst is niet op voorhand onwerkelijk en onredelijk. Niet in geschil is immers dat het hoogheemraadschap zich bij het sluiten van deze overeenkomst tevens zou hebben verplicht de schade als gevolg van de aanleg en de instandhouding van de leiding volledig te vergoeden. Uit brieven van 17 juli en 21 oktober 2014 van het hoogheemraadschap aan [appellant] blijkt voorts dat overleg over de ligging van de leiding heeft plaatsgevonden.

Het betoog faalt.

ABRS 17-10/18 inzake Hollands Noorderkwartier (ECLI:NL:RVS:2018:3331).

Noot: vergelijk artikel 17 Onteigeningswet.